Magazine

Pulse Primair Onderwijs
Gratis magazine voor schoolontwikkeling en kwaliteitszorg

Pulse Primair Onderwijs is een magazine voor schoolontwikkeling en kwaliteitszorg. Ontvang Pulse Primair Onderwijs Magazine gratis zes keer per jaar. Geef hier uw gegevens door.

Bekijk een voorbeeld van Pulse Magazine nummer 5-2010:

Open publication - Free publishing - More pulse

 

Voorwoord

Veel van weinig


Vroeger was alles beter. Een geliefd gezegde bij veel oude rotten in het vak. Men leerde meer en men verstond het vak beter. Goh, wat waren ze toen toch vreselijk competent! Toch kun je aan het grote aantal onderwijsvernieuwingen aflezen dat de beleidsmakers nooit tevreden zijn geweest over de gemiddelde schoolprestaties. Toen in 1968 de Mammoetwet werd ingevoerd en het aantal vakken drastisch werd teruggeschroefd, dachten de vernieuwers van toen waarschijnlijk ook dat een geringer vakkenpakket het niveau van de overbleven vakken zou opschroeven. Minder vakken zou per definitie meer diepgang betekenen.

 


Ik ben zo’n Mammoetleerling en als ik terugkijk op mijn ‘schoolcarrière’ ben ik eerlijk gezegd redelijk somber gestemd. Toen ik ging studeren moest ik constateren dat mijn middelbare-school-wiskunde bij lange na niet voldoende was om op de universiteit een voortvarende start te maken. Zelfs bij de begrippen functievergelijking en differentiëren ging bij mij geen enkel licht branden. Een vriendelijke doch zeer twijfelend kijkende professor adviseerde mij toen de ‘basisstof’ nog eens grondig te bestuderen. In de zomer die daarop volgde – in mijn herinnering is de temperatuur toen niet onder de dertig graden celcius geweest - worstelde ik me door de elementaire beginselen van de wiskunde. Met succes. Ik stond zelfs versteld van de eenvoud van de stof en mijn natuurlijke afkeer sloeg om in een gezonde interesse.
Natuurlijk speelden motivatie en concentratie een grote rol, maar nog belangrijker is de reden dat ik veel beter dan op de middelbare school de verbanden tussen de onderdelen ging zien. Als ik iets
niet begreep ging ik terug of probeerde ik via een andere invalshoek of methodiek de materie te doorgronden. En als ik er dan nog niet uitkwam was een studievriend die scheikunde studeerde en meer kaas gegeten had van de exacte vakken, bereid om tegen beloning van een ‘beugel bier’ mij het nog eens haarfijn uit te leggen. Sinds die tijd ben ik een groot voorstander van ‘geïntegreerd en systematisch onderwijs’.

 


Geen losse flodders, geen nieuwe level als het niveau eronder nog niet goed verankerd is. Geen formules uit het hoofd leren als de betekenis ervan niet geduid kan worden. Geen trucjes en fratsen. Diepgang en inzicht in de aangeboden leerstof vind ik een absolute voorwaarde voor echte waardecreatie. Alleen dan beklijft het bij mij en kan ik er later nog wat mee. Rekenen ben ik leuk gaan vinden, maar het zal u niet verbazen dat ook taal mijn interesse heeft. Daarbij vind ik bijvoorbeeld het inzicht in de zinsstructuur belangrijker dan het sec kunnen aangeven van het onderwerp, de persoonsvorm, het lijdend voorwerp en bijvoorbeeld het naamwoordelijk gezegde. Zij vormen voor mij geen leerdoelen op zich (hoewel dat op veel scholen wel het geval is). Mijn idee: vertel leerlingen al vanaf de eerste dag waarom ze dat moeten weten. Wat kunnen ze ermee? Maak goede en vooral ook foute zinnen. Alleen zo leer je met zinsdelen toveren. Zo kom je tot de constatering dat dat zinsdeel op die plaats niet kan staan. Ook een goede Nederlandse zin is nu eenmaal aan bepaalde grammaticale regels gebonden. Taal wordt pas leuk als je er mee gaat spelen, als je er dieper op ingaat. Als je bouwt aan een groter geheel dat een klein tekstje of gedicht heet. Laat leerlingen een (digitale) schoolkrant maken en geef ook aan dat niet elk tekstje hetzelfde is. Leer ze koppen maken en bijschriften. Vertel dat ze ook hun mening mogen uiten in een commentaar of een column. En ja hoor ‘het weer op school’ hoort er natuurlijk ook bij. Ook in het primair onderwijs geldt voor mij: niet weinig van veel maar veel van weinig. Pas dan leren kinderen ineens heel erg veel en worden ze een stuk slimmer en competenter dan die ‘oude rotten’.

 


Frank Stienissen, hoofdredacteur


 

Voor reacties: frank@stienissenmedia.nl


Morrende menigte. No more!


Nog niet zo lang geleden sprak ik een oud-collega en natuurlijk vroeg ik haar op een gegeven moment naar het wel en wee op ‘onze school’. Ze zei dat de kinderen nog steeds haar lust en leven zijn en dat de resultaten er mogen zijn, maar dat het met de collegialiteit soms ver te zoeken is. Niet dat er openlijke ruzies zijn of zo, maar er smeult voortdurend van alles. Allemaal van die vervelende, soms moeilijk te definiëren akkefietjes. Volgens haar lijkt het soms een grote morrende menigte, waarbij vooral het management het moet ontgelden.


Nu kom ik in veel andere sectoren (bedrijven en non-profit) en ik heb haar verzekerd dat het daar ook niet altijd reuzengeur en maneschijn is. Ook daar gaat veel, soms zelfs heel veel energie verloren aan onvriendelijk, betweterig, kleinerend en gezagson- dermijnend gedrag. ‘Dat is een schrale troost’, antwoordde ze. Ze had natuurlijk gelijk, want we voelen allemaal haarfijn aan dat een goede werksfeer een belangrijke basis is voor individueel en collectief succes.


En ofschoon alle teamleden daarvoor verantwoordelijkheid dragen, zijn het zeker ook de managers en directeuren die daarvoor moeten zorgen. Een open, eerlijke, duidelijke en respectvolle omgang met elkaar moet elke dag centraal staan én in praktijk gebracht worden. Managers: relativeer zaken zonder de ernst uit het oog te verliezen. Plaats die grappige kwinkslag, wordt een eens keer lekker boos als het u hoog zit. Kortom: durf een mens van vlees en bloed te zijn.


Laatst verzekerde een directeur van een openbare basisschool mij: ‘In mijn vorige baan wilde ik alles perfect doen. Ik stond mezelf en mijn collega’s eigenlijk niet toe een fout te maken. Het gevolg was dat iedereen op z’n tenen liep. Alles werd gecheckt en gedubbelcheckt. Alle in het oogspringende, leuke en verrassende dingen verdwenen, want dat was niet vertrouwd. Soms moet je je nek uit durven steken, iets geks willen doen of zeggen. In mijn nieuwe functie op een andere school heb ik dat stramien rigoureus losgelaten. Ik ben veel meer mezelf, wil niet meer mister perfect zijn en durf mezelf kwetsbaar op te stellen. Het gevolg is, en dat verschil is echt levensgroot, dat we nu veel meer een team zijn, veel meer lachen en dat komt de kwaliteit in alle opzichten ten goede.’


Kortom: lijdt u of leidt u! Ik kan u aanraden om in deze Pulse Primair onderwijs het interview met marcel Gerritse te lezen. Ook hij maakt van zijn hart geen moordkuil en weet zijn team op een zeer persoonlijke en intrigerende manier aan te sturen. Veel leesplezier.

 

Frank Stienissen, hoofdredacteur

 

Voor reacties:

 

 

Voorwoord

 

 

Humor helpt

 

 

In 1981 trouwde Prins Charles met Diana, werd Liverpool Europees Kampioen, werd het onderwijs vernieuwd en werd de Paus neergeschoten. In 2005 trouwde de Engelse kroonprins met Camilla, werd Liverpool weer kampioen, was het onderwijs aan de zoveelste vernieuwing toe en stierf de paus. Wat is de les die we hieruit kunnen trekken? Mocht Prins Charles in de toekomst weer besluiten te trouwen, waarschuw dan alsjeblieft de paus.

Ik geef toe dat het even geduurd heeft voordat ik een niet al te flauw grapje vond dat als intro kon dienen voor dit voorwoord. Over humor moest het gaan. Waarom? Omdat ik regelmatig leerkrachten spreek die klagen over ‘het verstoorde werkklimaat op school’. ‘Alles is zo zakelijk en afstandelijk geworden’.

Des te opvallender is de volgende vacaturekop: ‘De Mariaschool in Boven-Leeuwen zoekt met ingang van 1 mei 2010 of zo spoedig mogelijk daarna een inspirerende en bevlogen directeur (M/V) met gevoel voor humor’. Even verderop lees ik: ‘wij zoeken een directeur die een klimaat schept waarin medewerkers zich gemotiveerd, gestimuleerd en gewaardeerd voelen en binnen de school kan opereren in het krachtenveld van verschillende opvattingen en belangen’.

Humor als wapen in de strijd. Allerlei onderzoeken wijzen uit dat je met humor (in het onderwijs) meer kunt bereiken dan met ernst. Of zoals, jawel daar heb je ‘m weer, Aristoteles zei: ‘Het pleit je vrij bij mislukking en geeft je oefenruimte’. En vrij naar Herman Finkers: ‘Ik heb er zin in vandaag … eerst nog even lesgeven’.

De CPS Academie, die toegepaste trainingen humor voor onderwijzend personeel verzorgt, stelt onomwonden: de humoristische benadering is een waardevolle relativerende begeleidingsmethode. Het is een soort emotionele intelligentie.

Humor-deskundige Paul Mahieu van de Universiteit van Antwerpen gaat nog een stap verder: ‘Onderwijs is een ernstige zaak, daarom is er nood aan humor. Humor zorgt voor leerplezier bij leerlingen, werkgenot bij leraren en visie bij directeuren. Humor verandert een starre in een speelse geest. Dat humor werkt blijkt uit een Amerikaans onderzoek. Bij een experiment werden leerlingen in twee groepen verdeeld. De ene groep bekeek een video over wiskunde, de andere een humoristisch filmpje. Daarna kregen ze een behoorlijk moeilijk vraagstuk voorgelegd. Slechts 17 procent van de leerlingen die de wiskundevideo bekeken had, slaagde in de opdracht. Van de humorgroep was 80 procent succesvol. Humor maakt de geest leniger’.

Kortom vertel uw collega’s: niemand is volmaakt en daarvan ben ik het perfecte voorbeeld.
Veel succes toegewenst.

Frank Stienissen
 

Voor reacties: frank@stienissenmedia.nl

 

Voorwoord

 

 

Do your job

 


Nog niet zo lang geleden zat ik in de trein en las ik in een van die gratis kranten die op het station liggen een aardig verhaal over Steve McClaren. Het verhaal kopte met ‘Twente heeft zijn eigen Guus’. Voor wie helemaal niet van voetbal houdt en daar ook halsstarrig naar weigert te kijken: Twente, officieel FC Twente, is een voetbalclub uit Enschede, McClaren is de trainer/coach van het eerste elftal en Guus verwijst naar Guus Hiddink, die man die na koningin Beatrix en Dick Bruna’s Nijntje waarschijnlijk ons beste exportproduct is.


McClaren wordt in het verhaal ‘het brein’ genoemd achter de recente successen van de Tukkers. McClaren is een bijzondere man. Het blijkt dat hij steevast pas nadat het fluitsignaal al heeft geklonken de kleedkamer
verlaat. Het publiek scandeert dan op vriendelijke wijze: ‘Steve, you are to late for work’. Het laat hem koud. Even wil hij blijkbaar een ritueel moment voor zichzelf. Niemand weet precies waarom hij dat doet.
 

De gewezen bondscoach van Engeland staat buiten het veld bekend als de rust zelve. Maar tijdens de wedstrijd is hij een brok emotie. Positieve emotie wel te verstaan. Een oud-collega, Mohammed llach, zegt over hem: ‘Hij leert zijn spelers voor elke wedstrijd werken met een bepaalde focus: hij brengt ze in opperste staat van concentratie, bereidt ze tot in detail voor, krijgt alle neuzen dezelfde kant op en wekt een soort groepsdrive op. Die focus is heilig voor hem. Hij bezit alle eigenschappen van een moderne toptrainer. Ik vergelijk hem wel eens met Guus Hiddink. Steve is ook communicatief sterk, een echte gentleman. Hij straalt warmte uit en heeft mensenkennis. Daarnaast is hij ook voetbalinhoudelijk erg sterk’.


Als iemand twijfelt aan zijn managementkwaliteiten omdat hij wellicht ‘te lief is en een allemansvriend wil zijn’, zegt Twente’s middenvelder Brama daarop: ‘Hij staat heel duidelijk boven de groep. Hij geeft je een aai over de bol, maar als het moet kan hij ook heel hard zijn en een donderspeech geven. Hij geeft je de vrijheid om te werken, do your job, zegt hij altijd, maar doe je dat niet, dan wordt hij absoluut boos.’ Hebben we het hier werkelijk over een voetbaltrainer? Uit mijn eigen voetbalverleden ken ik vrijwel alleen trainers die al schreeuwend vanaf de zijlijn het irritatieniveau bij de spelers tot ontstelbare hoogten weten op te stuwen. En als ik mijn scope wat verbreed
en mijn werkverleden naloop, ken ik ook maar bitter weinig general anagers die deze positieve eigenschappen in overvloed bezitten. Een echt goede manager is eerlijk, duidelijk, betrokken en heeft verstand van zaken. Omschrijf ik het zo goed? Een vakman die positief is ingesteld en van zijn hart geen moordkuil maakt dus. Ik zou zeggen: ‘do your job’. Ga ik ook doen!


Frank Stienissen, hoofdredacteur

 

Voor reacties:frank@stienissenmedia.nl

 

 

Voorwoord

 

Wie moet ik nu geloven?

 

In de laatste week van augustus kopte de Volkskrant ‘Ouders: ouderwets strafwerk uitdelen. Meederheid ouders bezorgd over schoolcarrière van hun kinderen. Scholen te soft.’ Leerkrachten moeten met ‘u’ worden aangesproken en moeten weer ouderwets strafwerk uitdelen bij wangedrag. De basisschool scoorde een 6,7 en het voortgezet onderwijs een 6,5. Vijfhonderd ouders hadden aan het onderzoek meegedaan. Staatssecretaris Marja van Bijsterveldt werd naar haar mening gevraagd. Haar antwoord luidde: ‘Dat is te laag, het had een acht moeten zijn’. Vooral het ‘realistisch rekenen’ moest het ontgelden bij de ouders. Daar snapten ze weinig van.

 

Opvallend is dat nog niet zo lang geleden een veel groter onderzoek onder ruim 6.500 ouders verdeeld over heel Nederland een heel ander resultaat heeft laten zien. Uit dit Nationale Scholenonderzoek blijkt dat de meeste Nederlandse ouders juist wel tevreden zijn over de basisschool van hun kind. Vier op de vijf ouders vindt dat de juf of meester goed lesgeeft, over voldoende kennis beschikt, een goede invloed heeft op de sfeer in de klas en een goede band heeft met hun kind.

 

In deze editie van Pulse kunt u de belangrijkste resultaten van dit grootschalige onderzoek lezen. Ik ben geneigd te zeggen dat dit onderzoek een stuk genuanceerder, representatiever en geloofwaardiger is dan het onderzoek dat onderzoeksbureau Qrius in opdracht van het maandblad J/M heeft laten uitvoeren. Uit dat onderzoek komt naar voren dat ouders leerkrachten regelmatig betrappen op het feit ze een spelfout maken. Hierop merkt de hoofdredacteur van J/M fijntjes op dat de ouders er zelf ook wat van kunnen: ‘Hun schriftelijke antwoorden op de vragen uit het onderzoek barsten van de spelfouten.’ Opvallend was ook dat nogal wat ouders grote moeite hadden met het begrijpen van de lesstof die hun kinderen kregen aangeboden. Twee veelzeggende kanttekeningen bij de antwoorden van de ouders. Hebben we hier wel te maken met een representatieve groep? Zijn dit de betrokken ouders die weten wat er op school gebeurt, hoe er lesgegeven wordt en welke methodes er worden gehanteerd?

 

In diezelfde krant staat in het verlengde hiervan nog een aardig bericht, nu vanuit het perspectief van de leerkracht geschreven. In dit verhaal zeggen diverse leerkrachten dat ze het wel kunnen waarderen dat ouders het maximale eisen van school en leerkracht, maar dat veel ouders zelf helaas niet thuisgeven als er iets van hen verwacht wordt. Menig hoogopgeleide ouder heeft bovendien snel een vernietigend oordeel klaar en is nauwelijks geïnteresseerd in de visie van de leerkracht. ‘Vooral bij ouders met één kind zie ik dat’, zegt een van de geïnterviewde leerkrachten. ‘Sommigen verwachten kleine wonderen, en als het tegenvalt, zien ze de onderwijzer als schuldige.’ Niet voor niets heeft het ministerie van OC&W een folder samengesteld waarin een aantal oudertyperingen zijn opgenomen. De supporter is aardig en meevoelend, de afwezige niet betrokken en ontevreden, de kwelgeest betweterig en agressief en de superouder loyaal en bereid om naast een drukke baan de school en de leerkrachten te ondersteunen. Misschien moet bij een volgend onderzoek – wie het ook gaat uitvoeren – in een van de beginvragen eerst antwoord gegeven worden op deze typevraag: ‘Wat voor een ouder bent u?’ In dat licht kunnen dan de antwoorden worden gekwalificeerd. Oordeel zelf: lees de resultaten van het Nationale Scholenonderzoek elders in dit nieuwe nummer van Pulse Primair Onderwijs en geef uw reactie op www.pulseprimaironderwijs.nl. Hoor en wederhoor dus.

 

Frank Stienissen, hoofdredacteur

 

Voor reacties:  frank@stienissenmedia.nl

 

 


 

Voorwoord

Schat aan informatie


Tja, dat was toch wel een teleurstelling. Eindelijk had ik haar te pakken. De woordvoerster van de minster van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Ronald Plasterk. Of ze al meer informatie had over Wikiwijs, dat plan van de minister om een soort van Wikipedia voor het onderwijs in het leven te roepen. Voordat ze daar antwoord op kon geven, wilde ze eerst weten wie ik was. Dat is terecht, dacht ik. Ik had me weliswaar talloze malen voorgesteld aan de receptionistes van OC&W en ongeveer net zo vaak aan haar collega’s, maar nu ik haar zelf aan de lijn had, leek met dat een faire vraag.
“Ik ben Frank Stienissen en ik maak een magazine voor alle basisscholen in Nederland met als onderwerp schoolontwikkeling en kwaliteitszorg”, antwoordde ik.

Het kan zijn dat ze mij niet goed verstaan heeft, want ze repliceerde met: “Bent u een journalist?” “Ja”, zei ik, “dat ben ik, maar daar gaat het niet over.” Een gekke, onlogische reactie, maar ik voelde op afstand waar ze bang voor was. Ze zat niet te wachten op een serie zure en cynische vragen. “Ik ben journalist”, zei ik nogmaals, “maar ik heb ook heel lang voor de klas gestaan en als zodanig heb ik telkens weer het wiel uitgevonden. Werk dat waarschijnlijk al talloze malen door mijn collega’s op andere scholen ook was gedaan. En toen ik onlangs werd geconfronteerd met het initiatief van Plasterk waarin hij leerkrachten oproept om samen onderwijsprogramma’s te maken, was ik bijzonder verrast én verheugd.” “Ja, da’s heel mooi”, zei de ambtenaar van OC&W, “maar ik moet u toch echt teleurstellen, want ik kan u niets meer vertellen.”

Nu moet u weten dat Plasterk al op 3 december 2008 een gloedvol betoog heeft gehouden over de nieuwe ‘onderwijsencyclopedie’, Wikiwijs. Een open en zeer toegankelijke website waaraan alle docenten uit alle onderwijsgremia (primair, voortgezet en hoger onderwijs) hun bijdrage kunnen leveren. Onbezoldigd en ongeremd. Wie ooit voor de klas heeft gestaan en het onderwijsveld goed kent, weet dat er een schat aan informatie aanwezig is: iedereen is bezig met het maken van lesprogramma’s, oefeningen en toetsen. Uren, dagen, weken werk zit daarin. Het zou natuurlijk fantastisch zijn als je daarvan gebruik kunt maken. Liever nu dan morgen.

Dus vroeg ik aan de woordvoerster van Plasterk: ‘Welke vorderingen hebben jullie in de laatste maanden gemaakt? What’s going on?” Ze hield voet bij stuk. “Ik wil u niet afpoeieren”, zei ze, “maar ik kan u nog niets vertellen. De minister moet eerst de Kamer daarover informeren.” Ik had duidelijk niet mijn journalistieke pet op en nam weer voor even die afwachtende, onderdanig houding aan die het onderwijs misschien wel eigen is, want even later toen ze had opgehangen dacht ik: het idee is goed, met een beetje goede wil zelfs kansrijk, maar … minister Plasterk … geef het plan zo snel mogelijk door aan het onderwijsveld en laat het niet versloffen in de stoffige coulissen van het ministerie.

Frank Stienissen, hoofdredacteur

Voor reacties: frank@stienissenmedia.nl

Pulse Primair Onderwijs

Ontvang gratis Pulse Primair Onderwijs Magazine als directie of bestuur!

Schrijf u in voor de gratis Pulse Primair Onderwijs nieuwsbrief.

Volg Pulse Primair Onderwijs op Twitter.

 
 

 

Tips & Tools

Hoe kan een leraar ict integreren in het onderwijs?
De Onderzoeksreekspublicatie ‘Maak kennis met TPACK’, zoomt in op één randvoorwaarde van het Vier in Balans Model van Kennisnet, ‘deskundigheid’. Ict-competente leraren zijn deskundig op drie gebieden: vakinhoud, didactiek en ict. In de (Engelstalige) literatuur wordt dat ook wel aangeduid als TPACK: Technological Pedagogical Content Knowledge. De studie laat goed zien wat er allemaal nodig is om leraren adequaat voor te bereiden op het gebruik van ict. Tegelijkertijd onderstreept de studie de sleutelrol van de leraar om met behulp van ict de productiviteit en kwaliteit van het onderwijs te kunnen verbeteren. Voor meer informatie: download of bestel ‘Maak kennis met TPACK’ uit de Onderzoekreeks, www.kennisnet.nl
 

 

Stelling van de week

Eerst een plezierplan, dan pas een zorgplan
Pabo-directeur Taeke van den Akker, De Kempel (Helmond):"Een startbekwame leraar moet zich ergens op focussen, anders ziet hij door de bomen het bos niet meer. We leveren een prima leerkracht af, die de basis beheerst. In die basis moet hij niet te snel met allerlei zorgbegrippen worden geconfronteerd. Ik vind daarom dat hij geen zorgplan maar een plezierplan moet maken. Eerst moeten onze studenten betrokken onderwijs hebben weten te realiseren. Als je dat in je vingers hebt en je hebt ervan genoten dan heb je ongetwijfeld ook die kinderen gezien die op een andere manier de stof aangeboden moeten krijgen en een andere aanpak nodig hebben. Eerst moet je leren op een juiste manier te interacteren met leerlingen, zonder gehinderd te worden door allerlei zaken met betrekking tot afwijkend gedrag." Het hele interview kunt u lezen in Pulse Primair Onderwijs van september.
 

Prima school

 

Wij stellen uw mening en bijdragen zeer op prijs. Zo ontstaat een dynamische en waardevolle website die andere leerkrachten en directies stimuleert om schoolontwikkeling en integrale kwaliteitszorg nog voortvarender aan te pakken. Mail naar: info@pulseprimaironderwijs.nl

 

Uitgelicht


Nieuw in onderwijs

Nieuw in management