Thema's
Vakgebieden
Mijn school
Onderwijskundige Harry Janssen: ‘Instroom pabo moet flink omhoog’
Op 2 juli 1981 werd de Wet op het Basisonderwijs van kracht. Maar liefst twintig jaar was eraan gesleuteld. Belangrijkste element: de samenvoeging van kleuterschool en lagere school tot basisschool. Doel: te komen tot vernieuwend basisonderwijs. “De achterliggende gedachte was goed”, vindt onderwijskundige Harry Janssen. “Voor die tijd wisselden kleuterschool en lagere school amper informatie uit met elkaar. De lagere school profiteerde in het geheel niet van de kennis die de kleuterschool al had van de kinderen. Ook werden op de kleuterschool nog geen onderwijsachterstanden gesignaleerd, laat staan dat er actie op werd ondernomen.”
Allemaal dezelfde kleurplaat
De fusie tot basisschool verliep niet zonder slag of stoot, herinnert hij zich. “Kleuterleidsters waren opgeleid op mbo-niveau, leerkrachten op hbo-niveau. Veel kleuterleidsters verzetten zich tegen de plannen. Ze vonden dat kinderen veel te vroeg moesten gaan leren. Achteraf gezien moet je vaststellen dat dit geen steekhoudend argument was. Het jonge kind is in het basisschoolsysteem niet ten onder gegaan. Televisieprogramma’s als Sesamstraat doen niet anders dan kinderen sensitief maken en voorbereiden op leren. Bovendien: dat traditionele kleuteronderwijs was ook niet zo best. Iedereen mocht dezelfde kleurplaat inkleuren, in plaats van dat gewerkt werd met taakgerichte groepen. Van differentiatie was absoluut geen sprake.”
Toetsen aan voorkant pabo
Het basisonderwijs is door de Wet op het Basisonderwijs niet achteruitgegaan, vindt Janssen, maar evenmin is er sprake van een spectaculaire verbetering. In Nederland is veel kritiek op het gemiddelde niveau waarop kinderen de basisschool verlaten en Janssen deelt die kritiek. “Het niveau waarop een deel van de kinderen de basisschool verlaat, is te laag en dat heeft onmiskenbaar te maken met het niveau van de leerkrachten die van de pabo af komen. Dat is te laag. Vroeger gingen veel jongelui via de mulo, later via de havo naar de pabo. Tegenwoordig zie je dat veel jongeren op de pabo instromen via vmbo-t en een relevante mbo-opleiding, bijvoorbeeld tot klassenassistent of een opleiding jeugd en welzijn. Hun kennis op gebieden als taal, rekenen en wereldoriëntatie is vaak onvoldoende en wordt op de pabo niet meer of onvoldoende opgevijzeld. Je zou daarom aan de voorkant – dus bij de toelating – strenger moeten selecteren. Het instroomniveau moet omhoog.”
Janssen beziet de ontwikkeling in zijn historische context. “Vroeger ging je van de mulo naar de kweekschool. De mulo duurde vier jaar en je had in de eerste leerkring van de kweekschool dertien vakken. Nu stromen studenten van de havo in op de pabo die slechts zes vakken hebben gehad en soms zit daar niet eens geschiedenis, aardrijkskunde of natuurkunde bij. Hoe kun je daar dan nog voldoende niveau in halen?”
Een andere ongewenste ontwikkeling is volgens Janssen de afwezigheid van mannen. “Hooguit twintig procent van de pabostudenten is man. Dat percentage moet omhoog. Niet omdat mannen beter kunnen lesgeven dan vrouwen, maar omdat de school een afspiegeling zou moeten zijn van de samenleving. Nu komt het voor dat jongens de basisschool verlaten en nooit een meester voor de klas hebben gehad. Dat is niet goed. Er treedt ook een raar effect op als steeds meer vrouwen gaan werken in een beroep dat daarvoor het domein van mannen was, zoals leraar en huisarts. Het beroep heeft aan status verloren en vaak daalt dan ook het salaris.”
Status verhogen
Voor Janssen staat vast dat de status van het vak van leerkracht omhoog moet. “En daartoe moet allereerst het niveau van de leerkracht omhoog. Je zou moeten beginnen om het uitstroomniveau van pabostudenten op te krikken. Maar ook het niveau van de huidige leerkrachten moet verbeteren. Vakliteratuur kan daarin een rol spelen. De meeste scholen hebben weliswaar wel een abonnement op een of meer vakbladen, maar meestal maar één exemplaar. En dat blad blijft dan altijd op school; niemand neemt het mee en spit het thuis door. Je zou als school moeten overwegen of het niet zinvol is iedere leerkracht een abonnement op een vakblad te geven.” En wat nou als je vindt dat het lezen van vakliteratuur te tijdrovend is? Janssen: “Organiseer het dan efficiënt. Geef per maand enkele leerkrachten de opdracht in de teamvergadering in tien minuten te vertellen wat de belangrijkste onderwerpen van een bepaald nummer waren.”
Persoonlijk is Janssen erg gecharmeerd van ‘Didactief’. “Een goed blad, met name omdat het een vertaalslag maakt van wetenschappelijk onderwijs naar de alledaagse praktijk. Ook ‘Jeugd in school en wereld’ en ‘De wereld van het jonge kind’ zijn de moeite waard, omdat je er informatie in vindt over nieuwe lesmethoden en onderzoeksresultaten.”
Passend onderwijs
Differentiatie is momenteel een van de belangrijkste opgaven voor het basisonderwijs, meent Janssen. “Kinderen krijgen tegenwoordig veel meer prikkels dan vroeger. Daar kunnen ze niet allemaal goed mee omgaan en dat is ook geen wonder. Ik heb me tijdens mijn loopbaan gespecialiseerd in kinderen die het van thuis uit niet meekregen. Kinderen die extra hulp nodig hebben. Daar zijn in de loop der jaren allerlei termen voor bedacht: ‘zorgbreedteniveau’, ‘differentiatie’, ‘speciale leerlingenbegeleiding’ en sinds kort ‘passend onderwijs’. Allemaal varianten op hetzelfde thema. Het komt erop neer dat je het onderwijs afstemt op wat een kind kan en kent en waar het behoefte aan heeft. Eén op de tien leerlingen heeft extra begeleiding nodig, twee op de tien heeft behoefte aan wat extra aandacht.”
Differentiëren is volgens Janssen het moeilijkste dat er is. “Hoewel… waar een wil is, is een weg. Zelf zat ik in een klas met maar liefst 52 leerlingen. Daar zaten er een paar tussen die niet goed konden lezen. Na school hielp juf Sijben deze leerlingen, dat stond niet in haar opdracht en ze kreeg er niet voor betaald, maar ze was bevlogen en deed het toch. Nu zeggen ze: daar hebben we geen middelen voor. Smoesjes. Achteraf moet ik zeggen dat juf Sijben een groot compliment verdient.”
Harry Janssen: vechten tegen onderwijsachterstand
Harry Janssen (1947) studeerde onderwijskunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. In 1978 studeerde hij af op een scriptie over het opleiden van leerkrachten voor onderwijs aan groepen in achterstandssituaties. Hij gaf onderwijskunde aan de Nutspabo in Eindhoven en was consulent stimuleringsonderwijs bij DOBA, de onderwijsbegeleidingsdienst van de regio Eindhoven. Naderhand was hij projectleider gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid en vroeg- en voorschoolse educatie en stedelijk projectleider voor de ontwikkeling van de brede scholen (SPIL) in Eindhoven.
Pulse Primair Onderwijs
Tips & Tools
Hoe kan een leraar ict integreren in het onderwijs?
De Onderzoeksreekspublicatie ‘Maak kennis met TPACK’, zoomt in op één randvoorwaarde van het Vier in Balans Model van Kennisnet, ‘deskundigheid’. Ict-competente leraren zijn deskundig op drie gebieden: vakinhoud, didactiek en ict. In de (Engelstalige) literatuur wordt dat ook wel aangeduid als TPACK: Technological Pedagogical Content Knowledge. De studie laat goed zien wat er allemaal nodig is om leraren adequaat voor te bereiden op het gebruik van ict. Tegelijkertijd onderstreept de studie de sleutelrol van de leraar om met behulp van ict de productiviteit en kwaliteit van het onderwijs te kunnen verbeteren. Voor meer informatie: download of bestel ‘Maak kennis met TPACK’ uit de Onderzoekreeks, www.kennisnet.nl
Stelling van de week
Eerst een plezierplan, dan pas een zorgplan
Pabo-directeur Taeke van den Akker, De Kempel (Helmond):"Een startbekwame leraar moet zich ergens op focussen, anders ziet hij door de bomen het bos niet meer. We leveren een prima leerkracht af, die de basis beheerst. In die basis moet hij niet te snel met allerlei zorgbegrippen worden geconfronteerd. Ik vind daarom dat hij geen zorgplan maar een plezierplan moet maken. Eerst moeten onze studenten betrokken onderwijs hebben weten te realiseren. Als je dat in je vingers hebt en je hebt ervan genoten dan heb je ongetwijfeld ook die kinderen gezien die op een andere manier de stof aangeboden moeten krijgen en een andere aanpak nodig hebben. Eerst moet je leren op een juiste manier te interacteren met leerlingen, zonder gehinderd te worden door allerlei zaken met betrekking tot afwijkend gedrag." Het hele interview kunt u lezen in Pulse Primair Onderwijs van september.
Prima school
Wij stellen uw mening en bijdragen zeer op prijs. Zo ontstaat een dynamische en waardevolle website die andere leerkrachten en directies stimuleert om schoolontwikkeling en integrale kwaliteitszorg nog voortvarender aan te pakken. Mail naar: info@pulseprimaironderwijs.nl
Uitgelicht
|
Nieuw in onderwijs |
Nieuw in management |

reacties
Hans (2009-12-11 10:26:37)
Ik denk dat Harry Janssen helemaal gelijk heeft, maar als de eisen opgeschroefd worden, moet de baan van onderwijzer ook aantrekkelijker gemaakt worden. Een leerkracht besteedt nu ruim de helft van z'n werk aan allerlei administratieve en niet-direct aan het onderwijs gerelateerde taken. Meer onderwijsassistenten bieden wellicht uitkomst. En een beter salaris natuurlijk!