Thema's
Vakgebieden
Mijn school
Landelijk Onderwijs aan Varende Kinderen scoort bijna een tien
Schipperskinderen varen wel bij onderwijsaanpak
Als je ouders de kost verdienen als binnenvaartschipper en je wordt (vier of) vijf jaar, hoe moet je dan naar school? En wie houdt in de gaten of je voldoende vooruitgang boekt, cognitief maar ook sociaal-emotioneel? In Nederland hebben we daarvoor de Stichting Landelijk Onderwijs aan Varende Kinderen (LOVK). Die kan bogen op prima leerresultaten en bijzonder tevreden ouders.
Directeur Cobi Visser van de LOVK wil het maar gezegd hebben: haar school heeft geen uitzonderingspositie en krijgt geen voorkeursbehandeling. “De LOVK is een gewone school en wordt ook als zodanig behandeld. We worden op de normale manier bekostigd door het ministerie van OCW, we krijgen bezoeken van de onderwijsinspectie en net als alle andere scholen hebben we een BRIN-nummer.”
Een school voor kinderen van varende ouders, dat doet denken aan De Rijdende School (zie Pulse-PO nr. 2 van dit jaar). Er is echter een belangrijk verschil. Bij leerlingen van De Rijdende School (kinderen van circusartiesten en kermisexploitanten) is de winterschool verantwoordelijk voor de kinderen. Maar de kinderen van varende ouders hebben geen winterschool, daarom is de LOVK verantwoordelijk voor hen.
Compleet krat met materialen
De LOVK bestaat sinds 2001 en komt voort uit een fusie. De stichting heeft dertig mensen in dienst, hoofdzakelijk leerkrachten/mentoren. Zij geven les aan ongeveer driehonderd kinderen. En dat doen ze goed, want de onderwijsresultaten zijn dik in orde, aldus Visser. “Varende kinderen die naar groep drie van het basisonderwijs gaan, presteren op school beter dan hun klasgenootjes van de wal. Dat succes is ons trouwens niet komen aanwaaien. In 2001, het jaar van de fusie, bleef dertig procent van de varende kinderen in groep 3 zitten. Nu is dat nog maar 3,5 procent, terwijl het landelijk gemiddelde op 4,1 procent ligt.” Visser schrijft dit succes met name toe aan de zelf ontwikkelde lespakketten, voor 3-, 4-, 5- en 6-jarigen. “Die steken didactisch goed in elkaar en zien er goed uit. Het is ook een veelzijdig pakket. Naast lesboeken en werkschriften bevat het krat waarin ons lespakket zit ook materialen zoals klei, een springtouw, beloningsstickers, pittenzakken en balletjes voor gymles aan boord, een boek met voorleesverhalen, verf, een tekenblok, punaises en kwasten. Alles voor een complete schooldag.”
De LOVK beschikt over vijf scholen aan de wal, ook wel ligplaatsscholen genoemd: in Rotterdam, Dordrecht, Terneuzen, Zwolle en Maasbracht. Ze zijn op alle weekdagen open, ook op woensdagmiddag. In de zomervakantie gaan de scholen zes weken dicht. Die van Rotterdam en Dordrecht volgen het rooster van Midden-Nederland, die van Terneuzen en Maasbracht het rooster van Zuid-Nederland en die van Zwolle het rooster van Noord-Nederland.
Varende kinderen gaan gemiddeld een kleine veertig dagen per jaar naar een van deze vijf ligplaatsscholen. De overige 160 dagen gaan ze een aantal dagen naar een gastschool – een school waarmee de LOVK een relatie heeft en mee samenwerkt – of hebben ze les aan boord. Visser: “Ongeveer zeventig procent van de lestijd wordt aan boord gegeven, door de ouders. Van vrijblijvendheid is geen sprake. Behalve dat de ouders aan boord moeten werken, moeten ze ook lesgeven. Een vijfjarig kind aan boord van een schip heeft op een doordeweekse dag ongeveer twee uur les van een van de ouders. Dat lijkt weinig, maar die tijd wordt heel efficiënt besteed. Het kind werkt dan heel geconcentreerd.”
Mentoren maken het verschil
De doelgroep van de LOVK zijn kinderen van drie tot zeven jaar. Visser: “Kinderen mogen tot het jaar waarin ze zeven worden aan boord blijven en daar lessen volgen. Vanaf het schooljaar waarin ze zeven worden, moeten ze naar een school aan de wal en gaan ze meestal naar een internaat.” Hoe stoom je een kind in die cruciale eerste levensjaren klaar voor groep 3 van het basisonderwijs? Kunnen ouders dat trouwens wel: kinderen lesgeven, terwijl er ook nog een schip moet worden bestuurd en een bedrijf moet worden gerund? Visser: “De ouders van varende kinderen zijn bijzonder tevreden over LOVK. Dat blijkt onder meer uit het feit dat ouders bereid zijn grote afstanden te rijden om hun kinderen naar een van onze scholen te brengen. Er zijn ouders die hun kinderen naar onze school in Dordrecht brengen terwijl hun schip in Antwerpen ligt. Of vanuit Worms in Duitsland naar onze school in Maasbracht. Waarom? Omdat op onze scholen mentoren aanwezig zijn die zowel de kinderen als de ouders begeleiden. Ouders stellen dat op prijs. Ze willen graag dat een mentor zich een oordeel vormt over hun kinderen.”
Is het ondoenlijk om de kinderen naar een ligplaatsschool te brengen, dan zijn de kinderen van varende ouders welkom op een van de driehonderd gastscholen in Nederland. Visser: “Wat we zien, is dat ouders als het enigszins mogelijk is hun kinderen naar een school aan de wal brengen. Volgens mij doen ze dat niet zozeer om de handen vrij te hebben als wel omdat ze het belangrijk vinden dat hun kinderen contacten leggen met leeftijdsgenootjes. Vaste vriendjes maken en afspreken is natuurlijk lastig voor schipperskinderen; er is nauwelijks tijd om te hechten. Maar daar staat tegenover dat schipperskinderen over het algemeen heel zelfstandig zijn. Ze zijn gewend ergens nieuw binnen te komen en passen zich makkelijk aan.”
Schippers: begenadigde leerkrachten
Leraar ben je niet zomaar. Het leraarschap is een vak dat je leert aan een pabo. Echter, op binnenvaartschepen geven de ouders hun kinderen les. Dilettanten dus. En dan beweert Visser ook nog eens dat de resultaten uitstekend zijn. Het klinkt haast als een sprookje… “Toch is het zo”, aldus Visser. “Het GION (Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs) onderzocht of ouders goed kunnen lesgeven. Uit dat onderzoek* bleek dat ze dat beter kunnen dan leerkrachten! Dat komt met name door de binding die ouders van nature met hun kinderen hebben. En lukt er een keer iets niet, dan biedt de mentor uitkomst. Die heeft eens per drie weken contact met de ouders, ofwel via de mail ofwel door een bezoek aan boord. Verder brengen ouders iedere vijf weken verslag uit van de vorderingen van hun kind via een zogenaamde kijklijst. Het gaat dan om observaties zoals: ‘mijn kind kan een zin van drie woorden foutloos nazeggen’ en ‘mijn kind kan gedurende vijf minuten zelfstandig werken’. Die lijsten worden heel eerlijk ingevuld, is onze ervaring. Dat is uiteindelijk ook in het belang van de ouders. Zou hun kind in groep drie komen met een leerachterstand, dan valt het kind al snel door de mand. Dat wil je niet als ouder. Je wilt dat je kind goed kan meekomen en goed beslagen ten ijs komt.”
De LOVK beschikt over een digitaal netwerk (leerlingvolgsysteem) dat door alle ligplaatsscholen kan worden ingevuld. Ouders hebben er zelf ook inzage in; iets wat in het reguliere onderwijs nog een zeldzaamheid is. Sterker nog: ouders hebben (beperkte) mogelijkheid om hun eigen bevindingen via een notitie of via de mentor in het systeem te zetten en worden daartoe door de LOVK ook aangemoedigd. Visser: “Als ouders zo’n groot aandeel hebben in het onderwijs, laat ze dan ook maar vertellen wat ze zien. Varende kinderen worden door allerlei mensen gezien: hun eigen ouders, onze mentoren en leerkrachten van gastscholen. Wij stellen hen allemaal in staat hun bevindingen te registreren, bijvoorbeeld in het persoonlijke boekje ‘Dit Ben Ik’ dat elk varend kind overal en naar elke school bij zich heeft, zodat een breed en betrouwbaar beeld van het kind ontstaat.”
Tevreden en betrokken ouders
Schippers wier kinderen les krijgen via de LOVK zijn bijzonder tevreden, vertelt Visser met nauwelijks verholen trots. “Ouders zijn 95 tot honderd procent tevreden over de LOVK. Dat komt vooral door onze oudergerichte aanpak via onze mentoren. Dat zijn ook echte vertrouwenspersonen, die ook vaak opvoedkundige vragen krijgen voorgelegd. De ouders zijn op hun beurt ook heel betrokken bij de school. We hebben een eigen MR en de MR-leden houden er bij het aannemen van opdrachten rekening mee dat ze een MR-vergadering kunnen bijwonen. Dat vereist nogal wat van hun planning. Ze moeten die bewuste dag in de buurt zijn. Bovendien ligt het schip dan een dag stil, waardoor er dus geen geld kan worden verdiend. Overigens krijgen de MR-leden wel vacatiegelden ter compensatie van die verloren dag.”
Terugblikkend op de afgelopen negen jaar stelt Visser vast dat de fusie tot LOVK in 2001 de kwaliteit van het onderwijs aan varende kinderen ten goede is gekomen. “Voor de fusie waren de lespakketten eigenlijk meer knutselpakketten. We hadden nog geen mentoren, er was geen controle en ook geen verplichting om les te geven. Daardoor strandden veel kinderen van varende ouders in groep 3; ze hadden een leerachterstand en bleven zitten. Maar tegenwoordig zitten onze mentoren er bovenop. De kinderen doen ook gewoon mee aan de Cito-toetsen voor groep 1 en 2 en wij op onze beurt worden ook gewoon gecontroleerd door de onderwijsinspectie, net zoals de walscholen. De onderwijsinspectie is bijzonder tevreden over de LOVK – en terecht. Onze leerresultaten zijn gewoon prima.”
Meer weten over de LOVK? Zie www.lovk.nl en www.zelflesgeven.nl
LOVK: grensoverschrijdend
De LOVK opereert ook buiten de landsgrenzen. Zo kopen ouders met kinderen die voor langere tijd in het buitenland verblijven vaak pakketten en arrangementen bij de LOVK. Een groeiende afzetmarkt is België. Vlaamse schippers willen steeds meer het onderwijs van de LOVK volgen omdat het onderwijsleerpakket ook voor hun kinderen een voorsprong geeft bij de instroom in de Belgische klas 1.
* Het volledige onderzoek, ‘Stappen langs het water; van schip naar school met het onderwijsleerpakket voor varende kleuters’ staat op www.lovk.nl in het rode rolmenu bij ‘archief’. Zie maart 2007: Opsteker voor ouders, kleuters en LOVK.
Pulse Primair Onderwijs
Tips & Tools
Hoe kan een leraar ict integreren in het onderwijs?
De Onderzoeksreekspublicatie ‘Maak kennis met TPACK’, zoomt in op één randvoorwaarde van het Vier in Balans Model van Kennisnet, ‘deskundigheid’. Ict-competente leraren zijn deskundig op drie gebieden: vakinhoud, didactiek en ict. In de (Engelstalige) literatuur wordt dat ook wel aangeduid als TPACK: Technological Pedagogical Content Knowledge. De studie laat goed zien wat er allemaal nodig is om leraren adequaat voor te bereiden op het gebruik van ict. Tegelijkertijd onderstreept de studie de sleutelrol van de leraar om met behulp van ict de productiviteit en kwaliteit van het onderwijs te kunnen verbeteren. Voor meer informatie: download of bestel ‘Maak kennis met TPACK’ uit de Onderzoekreeks, www.kennisnet.nl
Stelling van de week
Eerst een plezierplan, dan pas een zorgplan
Pabo-directeur Taeke van den Akker, De Kempel (Helmond):"Een startbekwame leraar moet zich ergens op focussen, anders ziet hij door de bomen het bos niet meer. We leveren een prima leerkracht af, die de basis beheerst. In die basis moet hij niet te snel met allerlei zorgbegrippen worden geconfronteerd. Ik vind daarom dat hij geen zorgplan maar een plezierplan moet maken. Eerst moeten onze studenten betrokken onderwijs hebben weten te realiseren. Als je dat in je vingers hebt en je hebt ervan genoten dan heb je ongetwijfeld ook die kinderen gezien die op een andere manier de stof aangeboden moeten krijgen en een andere aanpak nodig hebben. Eerst moet je leren op een juiste manier te interacteren met leerlingen, zonder gehinderd te worden door allerlei zaken met betrekking tot afwijkend gedrag." Het hele interview kunt u lezen in Pulse Primair Onderwijs van september.
Prima school
Wij stellen uw mening en bijdragen zeer op prijs. Zo ontstaat een dynamische en waardevolle website die andere leerkrachten en directies stimuleert om schoolontwikkeling en integrale kwaliteitszorg nog voortvarender aan te pakken. Mail naar: info@pulseprimaironderwijs.nl
Uitgelicht
|
Nieuw in onderwijs |
Nieuw in management |

reacties