Thema's
Vakgebieden
Mijn school
Minister van Onderwijs Marja van Bijsterveldt: ‘We moeten durven uit te blinken’
Onderwijs is één van de dragers van onze samenleving, aldus Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart. De lat moet dan ook hoog
liggen, hoogbegaafdheid en excellentie moeten meer de aandacht krijgen, opbrengstgericht werken moet het uitgangspunt worden van iedere school. Een gesprek met onze onderwijsminister.
In de onderwijswereld wordt hevig gediscussieerd over Passend Onderwijs. Door de bezuinigingen lijkt Passend Onderwijs het kind van de rekening te worden. Hoe kijkt u tegen deze noodzakelijke maatregelen aan?
Ik denk dat we met de uitgaven die we blijven doen voor Passend Onderwijs – dat is nog altijd 1,9 miljard extra ten opzichte van de gewone bekostiging – nog altijd in staat moeten zijn om Passend Onderwijs in te vullen. Alleen moeten we zoeken naar hoe we op een andere manier beter met de middelen om kunnen gaan. We zitten in een ingewikkelde fase waarin veel zaken afgesloten moeten worden, maar waarin zich ook veel nieuwe mogelijkheden voordoen. Het blijft overeind dat wij in Nederland nog altijd – ook internationaal gezien – heel veel aandacht hebben voor en geld investeren in kinderen die kwetsbaar zijn. En dat is terecht, maar we moeten ook erkennen dat het de afgelopen jaren echt heel erg uit de hand gelopen is, ook financieel gezien. We zullen nu moeten zorgen dat vraag en aanbod, onze doelen en ons budget, weer in evenwicht komen.
De rugzakjes werden te makkelijk uitgedeeld?
Uit het onderwijsveld hoorde je veel geluiden dat het wel erg makkelijk werd om kinderen een rugzakje te geven. En je zag ook allerlei bureaus ontstaan die ouders hiermee hielpen. Als je paste in de mal, dan kreeg je een indicatie. Voor kinderen die het echt nodig hebben, kinderen die ook echt een handicap hebben, op welke manier dan ook, moet het altijd mogelijk zijn om extra zorg te krijgen. Alleen moeten we wel scherper en kritischer zijn voor welke kinderen deze zorg echt nodig is en voor welke kinderen een kleine ondersteuning voldoende is. Nu kunnen scholen weer zelf wikken en wegen wat goed is voor hun kind. Dat is goed, want de school is in deze de professional.
Wat vindt u van het niveau van het huidige onderwijs in Nederland?
Ik denk dat wij fier mogen zijn op ons niveau. Nederland doet het relatief maar ook absoluut goed. Het is alleen wel zaak dat we het relatief ook goed blijven doen. We zien dat bepaalde landen met een achterstand nu heel hard aan het werk zijn om een voorsprong te krijgen. Dit zijn vaak landen met een cultuur, waar door de hele samenleving heen veel ambitie en discipline is. Zaken die nuttig zijn voor het behalen van hogere resultaten. En dat betekent dat wij op onze qui-vive moeten zijn en moeten zorgen dat we ook meegaan – letterlijk – in de vaart der volkeren, zodat we ook als Nederland zijnde concurrerend kunnen blijven. Als dit niet gebeurt, worden mensen niet gestimuleerd een stapje extra te zetten, om een verdieping of cursus te volgen en om carrière te maken.
Ontbreekt het ons aan ambitie en discipline?
Ik denk dat we wel wat meer prestaties mogen waarderen. We zijn toch altijd een beetje een land van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ en voor vele jongeren in het onderwijs is een zesje al snel genoeg. Maar dat is niet genoeg. We zullen die ruimte tussen de 6 en de 10 veel meer moeten benutten, want daar liggen nog veel mogelijkheden.
Oud-premier Balkenende had het in het verleden ook regelmatig met afschuw over de ‘zesjescultuur’. Hoe denkt u dat de cultuur doorbroken kan worden?
We moeten durven uit te blinken. Maar we moeten ook meer leren waarderen. Vandaar dat de inspectie het predicaat ‘excellente scholen’ verder vorm en inhoud wil geven. Het moet voor scholen een uitdaging zijn om excellent te worden. Ook willen we meer ruimte creëren voor hoogbegaafdheid en excellentie. Uit wereldwijde onderzoeken van bijvoorbeeld PISA komt naar voren dat wij het altijd erg goed doen aan de onderkant, we kijken heel goed naar onze kwetsbare leerlingen. Dat vind ik ook een pure plicht voor een land als Nederland, dat zo welvarend is. Maar we zien ook dat we weinig doen voor de bovenste twintig procent, voor de mensen die echt excellentie kunnen laten zien, die de economie omhoog trekken. Juist op die groep willen we ons als kabinet meer gaan richten. We willen meer aandacht geven aan ambitie, aan het waarderen van prestaties en aan opbrengstgericht werken. Dat hebben we nodig om mondiaal mee te kunnen.
Is daar wel voldoende budget voor?
Het zit hem niet altijd in het budget. Natuurlijk is voldoende financiering belangrijk, maar Nederland kent gewoon een keurige financiering voor het onderwijs. Het zit hem ook in gericht werken. Ik spreek directeuren van scholen in bijvoorbeeld Groningen en Drenthe, die heel bewust bezig zijn met een speciale aanpak voor opbrengstgericht werken. En zij zijn laaiend enthousiast. Door heel gericht met je team te werken, door heldere doelen te stellen, door gestructureerd te werken en door keuzes te maken, bereik je echt meer. En dat is ook logisch. Dat is opbrengstgericht werken, dat willen we de komende jaren stimuleren op scholen.
Welke keuzes zou een school moeten maken?
Je kunt als school niet alles doen, je moet prioriteiten stellen. Zelf ben ik als minister heel druk met wat we allemaal op een school afwentelen als het gaat om maatschappelijke vraagstukken, van obesitas tot schuldhulpverlening en noem maar op. Een school zou bezig moeten zijn met vorming en met taal en rekenen. Met jongeren klaarstomen voor de toekomst. Je moet niet al het maatschappelijk leed bij de scholen neerleggen. De school vult ook maar een etmaal van de zeven etmalen van de week. Obesitas en dergelijke, dat hoort gewoon thuis aan de keukentafel besproken te worden. We moeten voorkomen dat scholen al die problemen op hun nek krijgen. Dat betekent overigens niet dat er geen aandacht moet zijn voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. De school speelt toch een belangrijke rol in de opvoeding, is een onderdeel van de maatschappij. Maar scholen moeten zich wel richten op de vorming en ontwikkeling van een kind, zodat een kind zichzelf en zijn talenten kan ontwikkelen.
Directeuren en schoolbesturen staan positief tegenover de functiedifferentiatie in het onderwijs, in tegenstelling tot de meeste leerkrachten. Parttimers in het onderwijs zeggen geen invulling te kunnen geven aan de ‘extra taken’. Hoe kijkt u hier tegenaan?
Ik denk dat het goed is dat je met de functiedifferentiatie leraren de gelegenheid geeft om carrière te maken. Een van de bezwaren in het verleden was dat dit te weinig mogelijk was. Functiedifferentiatie maakt het mogelijk om goed personeelsbeleid te voeren en vervolgens om mensen die zich onderscheiden, extra te belonen. Het goede is denk ik ook dat functiedifferentiatie de gesprekken op school stimuleert. Je praat meer over het functioneren en over de doelen die je samen nastreeft. Eigenlijk zien we in heel Nederland dat functiedifferentiatie werkt, in het bedrijfsleven, in ziekenhuizen, in allerlei organisaties is het heel normaal om een functiedifferentiatie te kennen.
Wat moet er volgens u gebeuren om functiedifferentiatie aantrekkelijker te maken?
Ik denk dat het gewoon een kwestie van gewenning is. Op een gegeven moment zal functiedifferentiatie ook in het onderwijs vanzelfsprekend worden. Het regelmatig voeren van functioneringsgesprekken is erg belangrijk. In elk bedrijf in Nederland is dit ook heel normaal, alleen het onderwijs blijft hierin wat achter.
In het onderwijs worden toch juist heel veel functioneringsgesprekken gevoerd?
Dat is niet mijn beeld. Toen wij De leerkracht van Nederland een paar jaar geleden vorm gaven, bleek juist dat deze gesprekken helemaal niet zo vanzelfsprekend zijn. Er waren heel veel kritische geluiden van ‘hé, dan word ik als leerkracht beoordeeld, door de directeur’. Terwijl dit in het bedrijfsleven heel normaal is.
Professionalisering, bij- en nascholing, is in de wet BIO vastgelegd. Veel leerkrachten hebben het echter zo druk met de begeleiding van de vele zorgkinderen in het reguliere onderwijs dat ze nauwelijks aan professionalisering toekomen. Is een andere aanpak gewenst?
Ik denk dat het heel belangrijk is dat werkgevers en werknemers de afspraken die ze in de CAO maken, nakomen. En dat er voldoende tijd wordt besteed aan nascholing. Ik kan me best voorstellen dat het voor de korte termijn plezieriger is dat je iemand die dag niet hoeft te vervangen, als iemand nascholing moet doen. Of dat het lekker is dat je – als je vrij bent – ook echt vrij bent en niet meer naar een school of cursus hoeft. Maar op termijn is het ongelooflijk lucratief als mensen zich ontwikkelen. Een school kan hier heel veel winst uit halen. Een gericht scholingsbeleid is voor elke school heel erg belangrijk. Juist ook in deze tijd waarin vraagstukken als zorgleerlingen veel van de school vragen. Laat je niet meeslepen door de dagelijkse werkzaamheden, maar kijk ook verder. Juist rondom de zorg zie je dat veel leerkrachten nog wel extra ontwikkeling kunnen gebruiken als het gaat om omgaan met verschillen. En daar zou je als school vorm en inhoud aan moeten geven. Anders ben je niet met de lange termijn, met de toekomst bezig.
Wat wilt u over vier jaar bereikt hebben?
Het opbrengstgericht werken is eigenlijk voor mij het allerbelangrijkst. De cultuur van opbrengstgericht werken, van het met elkaar op scholen heldere doelen afspreken, wat ook motiverend kan zijn, dat scholen daarmee alles uit een kind halen wat erin zit. Want dat zit daar vaak aan vast, je bent heel gericht bezig om een doel te bereiken en dat betekent dat je ook heel gericht met een kind bezig bent. Wij helpen hiermee door te steunen, door schoolleiders in het primaire onderwijs extra ondersteuning te geven over hoe je leiding geeft aan een opbrengstgerichte werkcultuur, maar ook door bijvoorbeeld de eindtoets in te voeren, de exameneisen voor het voortgezet onderwijs aan te scherpen en heldere doelen voor rekenen en taal te stellen. Dus echt gewoon zorgen dat we naar de toekomst toe de slag met andere landen kunnen maken.
Pulse Primair Onderwijs
Tips & Tools
Hoe kan een leraar ict integreren in het onderwijs?
De Onderzoeksreekspublicatie ‘Maak kennis met TPACK’, zoomt in op één randvoorwaarde van het Vier in Balans Model van Kennisnet, ‘deskundigheid’. Ict-competente leraren zijn deskundig op drie gebieden: vakinhoud, didactiek en ict. In de (Engelstalige) literatuur wordt dat ook wel aangeduid als TPACK: Technological Pedagogical Content Knowledge. De studie laat goed zien wat er allemaal nodig is om leraren adequaat voor te bereiden op het gebruik van ict. Tegelijkertijd onderstreept de studie de sleutelrol van de leraar om met behulp van ict de productiviteit en kwaliteit van het onderwijs te kunnen verbeteren. Voor meer informatie: download of bestel ‘Maak kennis met TPACK’ uit de Onderzoekreeks, www.kennisnet.nl
Stelling van de week
Eerst een plezierplan, dan pas een zorgplan
Pabo-directeur Taeke van den Akker, De Kempel (Helmond):"Een startbekwame leraar moet zich ergens op focussen, anders ziet hij door de bomen het bos niet meer. We leveren een prima leerkracht af, die de basis beheerst. In die basis moet hij niet te snel met allerlei zorgbegrippen worden geconfronteerd. Ik vind daarom dat hij geen zorgplan maar een plezierplan moet maken. Eerst moeten onze studenten betrokken onderwijs hebben weten te realiseren. Als je dat in je vingers hebt en je hebt ervan genoten dan heb je ongetwijfeld ook die kinderen gezien die op een andere manier de stof aangeboden moeten krijgen en een andere aanpak nodig hebben. Eerst moet je leren op een juiste manier te interacteren met leerlingen, zonder gehinderd te worden door allerlei zaken met betrekking tot afwijkend gedrag." Het hele interview kunt u lezen in Pulse Primair Onderwijs van september.
Prima school
Wij stellen uw mening en bijdragen zeer op prijs. Zo ontstaat een dynamische en waardevolle website die andere leerkrachten en directies stimuleert om schoolontwikkeling en integrale kwaliteitszorg nog voortvarender aan te pakken. Mail naar: info@pulseprimaironderwijs.nl
Uitgelicht
|
Nieuw in onderwijs |
Nieuw in management |

reacties
Peter (2011-04-13 08:45:19)
een alleraardigst verhaal dat heel plausibel klinkt. De minister laat echter op geen enkel moment blijken te weten wat er tegenwoordig in scholen speelt. Jammer dat ze wat dat betreft de plank misslaat.