Thema's
Vakgebieden
Mijn school
Commissievoorzitter Jeroen Dijsselbloem: ‘We hebben slecht naar het onderwijsveld geluisterd’
In februari 2008 presenteerde de Commissie Parlementair Onderwijs Onderwijsvoorzieningen haar bevindingen. Die waren niet mals. “De overheid heeft kerntaak, het zeker stellen van deugdelijk onderwijs, ernstig verwaarloosd.” Commissievoorzitter en PvdA-kamerlid Jeroen Dijsselbloem is echter allerminst somber. “Nederland wil op het gebied van onderwijs doorstoten naar de topvijf van de OESO-landen.”
De naar u vernoemde commissie beschouwt de onderwijsvernieuwing in Nederland als grotendeels mislukt?
Voor alle duidelijkheid: we hebben ons beperkt tot het voortgezet onderwijs. Het basisonderwijs hebben we niet in ons onderzoek betrokken. De onderwijsvernieuwingen in het middelbaar onderwijs zijn inderdaad voor een groot deel mislukt. Waarom? Omdat het theoretische concepten waren. Die werden eerst vermalen tot krachteloze politieke compromissen en vervolgens aan de onderwijssector opgelegd. Een voorbeeld: uit het aanvankelijke voorstel van de WRR voor de basisvorming zijn uiteindelijk onder politiek druk cruciale onderdelen geschrapt. Vervolgens was er vaak te weinig tijd en te weinig geld om de veranderingen te implementeren, bijvoorbeeld omdat er bezuinigd moest worden. Wat ook schrijnend was, was dat de politiek het presteerde om tien jaar te doen over het uitdenken van een nieuw systeem en vervolgens van het onderwijsveld eiste dat het in anderhalf jaar zou worden ingevoerd.
In uw eindrapportage schrijft u dat er ‘op onderdelen zoals lezen en rekenen/wiskunde een zorgwekkend dalende trend zichtbaar is’. Waaruit blijkt dit uit?
Dat zie je terug in de resultaten van internationale onderzoeken die eens in de drie jaar worden gehouden. Daaruit komt naar voren dat de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs afneemt ten opzichte van andere landen. We zakken op de ranglijst. De commissie heeft geconstateerd dat we in Nederland geen goed instrument hebben om de kwaliteit van ons onderwijs over een lange periode te volgen. Cito is daarvoor niet geschikt, omdat het onderwijs dat nu gegeven wordt zich niet goed laat vergelijken met het onderwijs van tien jaar geleden. Wij vinden dat er een nationale monitor moet komen en hebben geadviseerd om een leerstandaarden vast te leggen die duidelijk maken wat kinderen van een bepaalde leeftijd op het gebied van taal, rekenen, lezen en spelling moeten kennen en kunnen. Kortom: houvast en helderheid bieden.
De afgelopen vijftien jaar werd politiek draagvlak voor onderwijsvernieuwingen belangrijker gevonden dan draagvlak vanuit het onderwijs, zo staat in uw rapport. Waarom?
Soms werden plannen al tot in detail beschreven in een regeerakkoord, zodat een coalitie op dat punt tijdens de regeerperiode niet voor vervelende verrassingen en ongewenste discussies kon komen te staan. In het kabinet Lubbers-Kok was dat bijvoorbeeld het geval. De keerzijde daarvan was dat de rol van de Tweede Kamer op die manier wel erg werd beperkt. Aan de andere kant is de Tweede Kamer ook steeds unaniem akkoord gegaan met de voorgestelde onderwijsvernieuwingen. De Kamer had zich kritischer moeten opstellen. Dat dat niet altijd gebeurde is eigenlijk vreemd, want veel Kamerleden hebben een onderwijsachtergrond.
Is draagvlak in het onderwijsveld niet belangrijker?
Je hebt beide nodig. Je kunt geen onderwijsvernieuwingen doorvoeren zonder draagvlak in de politiek. Er is trouwens wel geprobeerd draagvlak in het onderwijsveld te creëren, maar niet op de juiste manier. De politiek heeft teveel gesproken met koepelorganisaties en besturen van scholenclusters. Door de schaalvergroting in het onderwijs staan die echter vaak behoorlijk ver af van de werkvloer. Neem de basisvorming: een groep leerlingen met grote niveauverschillen in hetzelfde tempo op een bepaald niveau brengen, dat is bijna niet mogelijk. Je zul moeten differentiëren, want anders zul je er nooit in slagen eruit te halen wat erin zit.
U hekelt in uw rapport de bemoeizucht van OCW.
Wij hebben bekeken of de overheid voldoende duidelijk heeft gemaakt welke kwaliteit ze verlangt en of ze kon ingrijpen als die kwaliteit niet wordt behaald? De conclusie is: nee. Maar op andere fronten was ‘Zoetermeer’ wel heel duidelijk en bovendien heel dominant. Er verschenen allerlei circulaires, de regelgeving was erg gedetailleerd en de ruimte voor eigen invulling beperkt. Achteraf moet je constateren dat dat een ongelukkige keuze was. De overheid is zich met dingen gaan bemoeien waar ze feitelijk niks mee te maken heeft. Het ministerie moet zich toeleggen op het ‘wat’ en aangeven welke kwaliteit scholen moeten leveren. Hoe die scholen dat realiseren, is aan hen. Dat ze het realiseren, moet de overheid zeker stellen.
De kwaliteit van de leerkrachten moet omhoog, stelt u. Hoe?
Goede docenten zijn de eerste waarborg voor goed onderwijs. Wij vinden daarom dat het vak van leraar in maatschappelijk aanzien moet stijgen en dat kan onder meer door de salariëring op te trekken. Maar tegelijkertijd moet de kwaliteit van de door pabo’s opgeleide leerkrachten omhoog. Ik vind het schrijnend en triest dat we op de pabo’s rekentoetsen moeten houden en dat een derde van de pabo-studenten daarvoor zakt en vervolgens de studie moet staken. Dat is ook voor die studenten bijzonder vervelend. Daarom moet de selectie aan de poort strenger. Het kan niet zo zijn dat iedereen leraar kan worden. Je moet het nodige in je mars hebben om leraar te kunnen worden.
Hoe wil de overheid de salarissen optrekken als ze de komende jaren zo’n 35 miljard euro bezuinigen?
Dat zal inderdaad onder de huidige omstandigheden niet meevallen. Toch is er voor de onderwijssector ook goed nieuws. Tijdens de algemene beschouwingen is de motie Hamer aangenomen. Die houdt in dat Nederland op het gebied van onderwijs wil doorstoten tot de top vijf van de OESO-landen. Nu staan we – een beetje afhankelijk van het type onderwijs – ongeveer op de tiende plaats. Die motie is een belangrijk signaal van de politiek. Je kunt niet vijf plaatsen stijgen op de ranglijst en gelijktijdig fors bezuinigen.
Ondanks brede kritiek werden veel plannen doorgevoerd. Nu ziet de politiek in dat er flinke fouten zijn gemaakt. Hoe leergierig is de politiek zelf eigenlijk?
Diezelfde Tweede Kamer die fouten heeft gemaakt, heeft unaniem onze – vaak zeer kritische – conclusies onderschreven. Op de SP na heeft de hele Tweede Kamer erkend dat ze steken heeft laten vallen en dat ze slecht heeft geluisterd naar het veld. Of we hebben geleerd, moet nog blijken. Wat me in ieder geval opvalt en deugd doet, is dat ik in de Kamer nu meer verschillende geluiden hoor dan vroeger als het over onderwijs gaat. Men is het niet meer overal over eens, er is meer debat. Dat vind ik een goed teken.
Wat moet de rol van de onderwijsinspectie zijn?
Die rol moet opnieuw bekeken worden. De inspectie moet zich primair richten op controle van wettelijk vastgelegd deugdelijkheidseisen, maar in de loop van de jaren negentig is de inspectie een eigen visie op didactiek gaan ontwikkelen. Daarmee trad ze in de beleidsvrijheid van de scholen terwijl hiervoor een wettelijke basis ontbrak.
Treft het onderwijs zelf geen enkele blaam dat het niveau van het onderwijs ten opzichte van andere landen is gedaald?
Jawel, ook scholen kunnen beter werk leveren. Wat me erg heeft verbaasd, is dat scholen soms werden overvallen door een slecht inspectierapport over een van hun locaties. Hoe kan het nou dat op een bepaalde vestiging het onderwijs van onvoldoende niveau is zonder dat je dat als schoolbestuur weet? Een bestuur moet zoiets veel eerder kunnen constateren dan de inspectie. Ik heb de indruk dat scholen de mogelijkheden van hun leerlingvolgsysteem niet goed gebruiken. Daar zit heel veel informatie in aan de hand waarvan je de prestaties van een locatie kunt vergelijken met eerdere jaren of met andere locaties. Daar wordt onvoldoende gebruik van gemaakt. En verder moeten schoolbesturen zich kritischer opstellen jegens de directies en hen bevragen op dit soort informatie. Een slecht presterende school mag voor een directie nooit als een donderslag bij heldere hemel zijn. Zoiets zie je aankomen.
De opmars van het beeld en van opmars van SMS-taal: baart dat u zorgen?
Nee, ik beschouw dat als onderdeel van de jeugdcultuur. Wat me wel zorgen baart, is dat scholen daar heel ver in zijn meegegaan. Je hoort mensen in het onderwijs wel eens zeggen: ‘Kennis is net zo houdbaar als verse vis’. Met andere woorden: kennis is eigenlijk al weer verouderd op het moment dat je hem hebt vergaard. Dus waarom nog kennis vergaren als alles op internet staat en je op ieder gewenst moment toegang hebt tot die informatie? Waarom leren spellen als de word processor beschikt over een spellingscontrole? En waarom leren rekenen als iedereen een rekenmachine heeft? Ik vind dat een zorgelijke trend. Dat er hulpmiddelen zijn, wil niet zeggen dat we onze kinderen niet meer hoeven op te voeden tot zelfstandige, zelfdenkende, kritische burgers. Basisonderwijs is funderend onderwijs. Dat wil zeggen dat er een stevig fundament moet worden gelegd. Gebeurt dat niet, dan krijg je later als volwassene last van, bijvoorbeeld omdat je niet goed kunt rekenen of omdat op je werk blijkt dat je spelling heel slecht is. Voor kinderen is zoiets al niet leuk om te horen, voor volwassenen is het ronduit pijnlijk.
Pulse Primair Onderwijs
Tips & Tools
Hoe kan een leraar ict integreren in het onderwijs?
De Onderzoeksreekspublicatie ‘Maak kennis met TPACK’, zoomt in op één randvoorwaarde van het Vier in Balans Model van Kennisnet, ‘deskundigheid’. Ict-competente leraren zijn deskundig op drie gebieden: vakinhoud, didactiek en ict. In de (Engelstalige) literatuur wordt dat ook wel aangeduid als TPACK: Technological Pedagogical Content Knowledge. De studie laat goed zien wat er allemaal nodig is om leraren adequaat voor te bereiden op het gebruik van ict. Tegelijkertijd onderstreept de studie de sleutelrol van de leraar om met behulp van ict de productiviteit en kwaliteit van het onderwijs te kunnen verbeteren. Voor meer informatie: download of bestel ‘Maak kennis met TPACK’ uit de Onderzoekreeks, www.kennisnet.nl
Stelling van de week
Eerst een plezierplan, dan pas een zorgplan
Pabo-directeur Taeke van den Akker, De Kempel (Helmond):"Een startbekwame leraar moet zich ergens op focussen, anders ziet hij door de bomen het bos niet meer. We leveren een prima leerkracht af, die de basis beheerst. In die basis moet hij niet te snel met allerlei zorgbegrippen worden geconfronteerd. Ik vind daarom dat hij geen zorgplan maar een plezierplan moet maken. Eerst moeten onze studenten betrokken onderwijs hebben weten te realiseren. Als je dat in je vingers hebt en je hebt ervan genoten dan heb je ongetwijfeld ook die kinderen gezien die op een andere manier de stof aangeboden moeten krijgen en een andere aanpak nodig hebben. Eerst moet je leren op een juiste manier te interacteren met leerlingen, zonder gehinderd te worden door allerlei zaken met betrekking tot afwijkend gedrag." Het hele interview kunt u lezen in Pulse Primair Onderwijs van september.
Prima school
Wij stellen uw mening en bijdragen zeer op prijs. Zo ontstaat een dynamische en waardevolle website die andere leerkrachten en directies stimuleert om schoolontwikkeling en integrale kwaliteitszorg nog voortvarender aan te pakken. Mail naar: info@pulseprimaironderwijs.nl
Uitgelicht
|
Nieuw in onderwijs |
Nieuw in management |

reacties