Thema's
Vakgebieden
fragment uit het boek, hoofdstuk 6.1
Individueel stil werken
In een groep 4 is iedereen tijdens het dagelijkse rekenuur zeer intensief bezig met dezelfde taken uit de methode. De kinderen werken overwegend hard, individueel en stil. De leerkracht loopt rond en controleert hoe het gaat. Soms zet ze een krul, soms streept ze een fout aan.
Ze moedigt kinderen aan en helpt waar ze dat zelf nodig vindt of wie dat vraagt.
Een groep met honderdvelden
In een groep 4 is een klein aantal kinderen bezig met oefeningen op een blad met honderdvelden. Ze moeten stukjes van dat veld zelf aanvullen in horizontale en verticale richting. Ze overleggen vaak per twee of drie over de aanpak en over de juistheid. De leerkracht is nu bezig met een groep die teksten maakt voor de schoolkrant. Straks komt ze bij de rekengroep en vraagt hoe ze het hebben aangepakt, of ze het te makkelijk of te moeilijk vinden. Ze bespreekt hun ervaringen en vraagt of ze zelf met diverse velden (100, 64, 25 bijvoorbeeld) vergelijkbare problemen met en voor elkaar kunnen maken.
Klassikale instructie en dan oefenen
In een groep 3 geeft de leerkracht een rekenles met instructie over splitsingen rond de 10. Ze geeft enkele voorbeelden aan de hand van zogenaamde busproblemen, omdat die in de methode aan de orde zijn. Voorbeelden over mensen in de bus, mensen die uitstappen en die instappen met de vraag hoeveel er dan in de bus zitten. Ze laat zien hoe je dat kunt doen: van 7 naar 4, van 3 naar 7. Ze gebruikt verschillende notatievormen (pijlentaal; notatie met +, -, =) en werkt met (bijna) dubbelbeelden en vijfbeelden. Na de instructie gaan de kinderen aan het werk met opgaven uit de methode, waarin ze vergelijkbare busproblemen aantreffen. Ze moeten als het ware oefenen, wat de leerkracht heeft voorgedaan.
Hoe kunnen kinderen het beste bezig zijn met rekenen-wiskunde in groep 3 en 4? En wat doet de leerkracht dan bij voorkeur?
We laten in een schema zien welke mogelijkheden er zijn om aan rekenen-wiskunde (en andere) activiteiten deel te nemen. Daarbij combineren we de keuzevrijheid van kinderen in de mate van sturing door de leerkracht.
We hebben dit schema voorgelegd aan honderden leerkrachten (die nog weinig met Basisontwikkeling werkten) met drie vragen:
1. Welke combinaties van keuzevrijheid en sturing maak je zelf meestal? Let daarbij op de relatie tussen schoolvakken/leerstofgebieden en je keuzes.
2. Welke combinaties vind je voor de ontwikkeling van kinderen het meest wenselijk?
3. Welke combinaties vind je moeilijk om te hanteren?
Er is een duidelijke eenstemmigheid in de reacties van leerkrachten:
Vraag 1
- In groep 1 en 2 is er een overmaat aan activiteiten in vak a1 (kinderen kiezen wat ze willen en de leerkracht geeft geen sturing) en in vak c3 (de kinderen krijgen een klassikale opdracht om mee te doen en de leerkracht geeft directe leiding). De categorieën b en 2 komen heel weinig voor. Activiteiten die te maken hebben met rekenen-wiskunde zitten overwegend in c3.
- In groep 3 en 4 vinden nauwelijks meer activiteiten plaats in vak a1. Er is een toename van activiteiten in vak c3. De vakken lezen-schrijven en rekenen-wiskunde zijn vooral in vak c3 te vinden; leerkrachten die met meer leerjaren in een groep werken proberen ook te werken in vak b3.
Vraag 2 en 3
- Leerkrachten uit groep 1 t/m 4 hebben een duidelijke opvatting over de meest wenselijke combinaties: vooral categorie b en categorie 2 zullen de kans op ontwikkeling van kinderen vergroten. Want er is meer sprake van interactie tussen kinderen en leerkracht (b) en je houdt meer rekening met de eigen mogelijkheden, voorkeuren en wensen van kinderen(2).
- Leerkrachten uit groep 1 t/m 4 vinden categorie b (begeleiden) en categorie 2 (kinderen uitnodigen) het moeilijkst om in hun praktijk te realiseren.
Geheel in overeenstemming met onze eigen opvattingen vanuit Ontwikkelingsgericht Onderwijs en met de wensen van leerkrachten die dit concept willen hanteren in hun praktijk, vinden we het belangrijk om bij reken-wiskundeactiviteiten in de onderbouw nadrukkelijk rekening te houden met de beoogde bedoelingen van ontwikkeling bij de te kiezen combinaties van keuzevrijheid en sturing:
1. Kiezen voor 'kinderen geen sturing geven' (categorie a) betekent kinderen over laten aan wat ze zelfstandig kunnen. Soms kan dat nuttig zijn, maar 'doe-het-zelf' rekenen-wiskunde (ook uit een methode) is meer een schriftelijke cursus dan ontwikkelingsgericht onderwijs. Vaak is hier ook nog sprake van individueel-zelfstandig werken en dat beperkt de ontwikkeling nog meer. Zelfstandig betekent vaak zonder hulp, zonder interactie.
2. Kiezen voor 'leiding geven' (categorie c) betekent dat kinderen kunnen profiteren van efficiënte instructie en uitleg. Soms kan dat nuttig zijn maar 'voordoen-nadoen-oefenen' is voor reken-wiskunde onderwijs een achterhaalde opvatting.
3. Kiezen voor 'kinderen begeleiden' (categorie b) betekent dat kinderen en leerkracht gezamenlijk bezig kunnen zijn in de zone van naaste ontwikkeling. De leerkracht is wisselend aanwezig en afwezig, want er zijn meer (groepen) kinderen. Maar de kinderen kunnen altijd rekenen op begeleiding die past bij hun vragen. Meestal is deze vorm het meest geschikt voor de ontwikkeling van rekenen-wiskunde. Bovendien blijkt in de praktijk dat bij deze vorm ook de leerlingen onderling vaker met elkaar samenwerken. De interactie is in dat geval nog breder, omvattender en effectiever.
4. De keuzevrijheid van kinderen moet wisselend zijn want daarmee ontwikkel je verschillende kwaliteiten. Kinderen die zelf kiezen leren hun voorkeuren en verantwoordelijkheden kennen. Kinderen die worden uitgenodigd voelen zich persoonlijk aangesproken en gewaardeerd. Kinderen die een opdracht krijgen leren te voldoen aan verwachtingen en eisen van anderen.
Voor de leerkracht blijkt de relatie en interactie met kinderen essentieel.
Daarom kiezen we als meest typerende vorm van sturing door de leerkracht voor de titel en de inhoud van dit hoofdstuk 'Interactief begeleiden van kinderen'.
Pulse Primair Onderwijs
Tips & Tools
Hoe kan een leraar ict integreren in het onderwijs?
De Onderzoeksreekspublicatie ‘Maak kennis met TPACK’, zoomt in op één randvoorwaarde van het Vier in Balans Model van Kennisnet, ‘deskundigheid’. Ict-competente leraren zijn deskundig op drie gebieden: vakinhoud, didactiek en ict. In de (Engelstalige) literatuur wordt dat ook wel aangeduid als TPACK: Technological Pedagogical Content Knowledge. De studie laat goed zien wat er allemaal nodig is om leraren adequaat voor te bereiden op het gebruik van ict. Tegelijkertijd onderstreept de studie de sleutelrol van de leraar om met behulp van ict de productiviteit en kwaliteit van het onderwijs te kunnen verbeteren. Voor meer informatie: download of bestel ‘Maak kennis met TPACK’ uit de Onderzoekreeks, www.kennisnet.nl
Stelling van de week
Eerst een plezierplan, dan pas een zorgplan
Pabo-directeur Taeke van den Akker, De Kempel (Helmond):"Een startbekwame leraar moet zich ergens op focussen, anders ziet hij door de bomen het bos niet meer. We leveren een prima leerkracht af, die de basis beheerst. In die basis moet hij niet te snel met allerlei zorgbegrippen worden geconfronteerd. Ik vind daarom dat hij geen zorgplan maar een plezierplan moet maken. Eerst moeten onze studenten betrokken onderwijs hebben weten te realiseren. Als je dat in je vingers hebt en je hebt ervan genoten dan heb je ongetwijfeld ook die kinderen gezien die op een andere manier de stof aangeboden moeten krijgen en een andere aanpak nodig hebben. Eerst moet je leren op een juiste manier te interacteren met leerlingen, zonder gehinderd te worden door allerlei zaken met betrekking tot afwijkend gedrag." Het hele interview kunt u lezen in Pulse Primair Onderwijs van september.
Prima school
Wij stellen uw mening en bijdragen zeer op prijs. Zo ontstaat een dynamische en waardevolle website die andere leerkrachten en directies stimuleert om schoolontwikkeling en integrale kwaliteitszorg nog voortvarender aan te pakken. Mail naar: info@pulseprimaironderwijs.nl
Uitgelicht
|
Nieuw in onderwijs |
Nieuw in management |
